Versie 2.6 – van kracht per 1 oktober 2026
In de handleiding Prestatieladder Socialer Ondernemen van TNO (verder genoemd als de handleiding), staan de diverse onderdelen (c.q. groepen) van de bedrijfsomvang uitgelegd, zie paragraaf 3.1.2 “vaststellen bedrijfsomvang”. Deze groepen zijn:
Je berekent de bedrijfsomvang om vast te stellen welk deel van de werkzame personen binnen jouw organisatie behoort tot de PSO-doelgroepen, ten opzichte van de totale bedrijfsomvang.
De auditor controleert deze berekening altijd op basis van gegevens die rechtstreeks afkomstig zijn uit de personeels- of loonadministratie. Voor ingeleende krachten via derde partijen gebeurt deze controle aan de hand van stukken uit de financiële administratie. Zie hiervoor paragraaf 3.5.3 “toetsing bedrijfsomvang”.
In deze leidraad worden verschillende rekenmethodes toegelicht. Het kan zijn dat niet alle hiervoor benoemde groepen van toepassing zijn binnen jouw organisatie. Het is aan de aanvrager om te bepalen welke methode wordt gebruikt. De berekening moet altijd controleerbaar en reproduceerbaar zijn voor toetsing door de auditor.
De meest recente versie van de handleiding is altijd leidend. Een auditor zal moeten vaststellen of de opgegeven bedrijfsomvang voldoet aan de eisen in de handleiding, zijn/haar oordeel daarop is doorslaggevend.
In de rekentool worden voor deze groep twee elementen ingevuld:
Voor A wordt uitgegaan van het aantal SV-dagen, waarbij 1 medewerker gelijkstaat aan 260 dagen. SV-dagen, ofwel sociale verzekeringsdagen, worden ook wel loondagen genoemd. Dit zijn de dagen waarop het loon wordt doorbetaald. Zie voor een volledige definitie de begrippenlijst van de handleiding.
SV-dagen ÷ 260 = A
Voor G wordt uitgegaan van alle verloonde uren, waarbij 1 fte gelijkstaat aan 52 weken × de urennorm per week.
Verloonde uren ÷ (52 × urennorm) = G
Bij deze methode bepaal je eerst het aantal peilmomenten (PM):
De auditor beoordeelt of het aantal peilmomenten voldoende is.
Op elk peilmoment tel je het aantal medewerkers (mdws) of fte dat op dat moment werkzaam is. Medewerkers die vóór het peilmoment uit dienst zijn gegaan, tellen niet mee.
(mdws PM1 + mdws PM2 + mdws PM3 + mdws PM4) ÷ aantal peilmomenten
(fte PM1 + fte PM2 + fte PM3 + fte PM4) ÷ aantal peilmomenten
Je zet alle medewerkers op een rij (bijvoorbeeld in Excel) en noteert per medewerker:
Voorbeeld (peiljaar 1-1 t/m 31-12)
We tellen het aantal weken op wat tussen de in en uit dienst data ligt (in het peiljaar) voor elke medewerker = 52 + 44 + 26 = 122.
122 ÷ 52 weken = 2,34 medewerkers (A)
Dezelfde berekening kan ook worden uitgevoerd op basis van kalenderdagen:
We tellen het aantal kalenderdagen op wat tussen de in dienst en uit dienst data ligt (in het peiljaar) = 365 + 306 + 180 = 851.
851 ÷ 365 = 2,33 medewerkers (A)
We berekenen de contractuele uren over het hele peiljaar:
Totaal contractuele uren = 4464
4464 ÷ 52 weken ÷ urennorm (40 uur) = 2,14 fte (G)
Of o.b.v. kalenderdagen:
Totaal 4445,71
4445,71 ÷ 52 weken ÷ urennorm (40 uur) = 2,14 fte (G)
Als je software gebruikt die het gemiddeld aantal medewerkers en fte berekent, mag je deze gebruiken, mits de berekening controleerbaar en reproduceerbaar is.
Alle overige werkenden inclusief PSO-doelgroep op basis van een uitzend-, detacheringsovereenkomst of payroll constructie. In de rekentool worden ingevuld:
Je moet alle gewerkte en gefactureerde uren over het peiljaar kunnen onderbouwen met facturen. De auditor controleert steekproefsgewijs of alle inleenpartijen zijn meegenomen, bijvoorbeeld via een crediteurenlijst of de winst- en verliesrekening in combinatie met grootboekrekeningen.
Je zet alle medewerkers op een rij (bijvoorbeeld in Excel) en noteert:
Voorbeeld (peiljaar 1-1 t/m 31-12)
We tellen het aantal weken op wat tussen de start- en einddata ligt (in het peiljaar) = 52 + 44 + 26 = 122.
122 ÷ 52 weken = 2,34 medewerkers (B)
Of o.b.v. kalenderdagen:
We tellen het aantal kalenderdagen op wat tussen de start- en einddata ligt (in het peiljaar) = 365 + 306 + 180 = 851.
851 ÷ 365 = 2,33 medewerkers (B)
Totaal gewerkte en gefactureerde uren: 4.168
4.168 ÷ (52 × 40) = 2 fte (H)
Deze methode mag alleen worden toegepast na goedkeuring door de auditor. Wanneer de eerste methode een dermate grote tijdsbesteding met zich meeneemt dat versimpeling essentieel is, neem je het beste vooraf contact op met de auditor.
Benodigde documenten
Stap 1, gemiddeld uurtarief. Totalen van de 12 inkoopfacturen; factuurbedrag excl. btw ÷ gefactureerde uren.
€16.800 ÷ 480 = €35 per uur
Stap 2, totaal gewerkte uren. Totale inleenkosten over het peiljaar ÷ gemiddeld uurtarief (stap 1).
€1.701.336 ÷ €35 = 48.609,60 uur
Stap 3, berekening H.
48.609,60 ÷ 52 ÷ urennorm (38 uur) = 24,6 fte (H)
Omdat bij deze methode het totaal aantal uren uit de kosten wordt afgeleid, zijn er geen individuele gegevens per medewerker beschikbaar. Het gemiddeld aantal medewerkers wordt daarom gelijkgesteld aan het berekende aantal fte.
B = H, in dit voorbeeld 24,6
Gelijkstellen mag alleen binnen deze alternatieve berekening, niet bij methode 1. De auditor toetst of de complexiteit van de reguliere berekening de aanleiding is voor het toepassen van deze methode.
Alleen die personen op stages, werkervaringsplekken of proefplaatsingen die vallen onder de PSO-doelgroep. Personen die niet tot de PSO-doelgroep behoren en werkzaam zijn op basis van stage, vrijwilligerswerk of proefplaatsing, worden niet meegenomen in de bedrijfsomvang. In de rekentool worden ingevuld:
Wanneer geen vast aantal uren is afgesproken, wordt uitgegaan van de daadwerkelijk gewerkte uren. Bij stagecontracten (BBL/BOL, VSO/PRO) wordt uitgegaan van de uren in de stageovereenkomst. Bij een BBL-overeenkomst mogen doorbetaalde opleidingsuren meetellen, mits deze individueel contractueel zijn overeengekomen. Een vaste vergoeding die niet is vormgegeven als doorbetaling van een concreet aantal uren, zoals een schooldagbonus uit de cao, telt niet mee.
Je noteert per persoon:
Voorbeeld (peiljaar 1-1 t/m 31-12)
We tellen het aantal weken op wat tussen de start- en einddata ligt (binnen het peiljaar) = 27 + 4 + 26 = 57.
57 ÷ 52 weken = 1,09 medewerkers (C)
Of o.b.v. kalenderdagen:
We tellen het aantal kalenderdagen op wat tussen de start- en einddata ligt (binnen het peiljaar) = 184 + 31 + 180 = 395.
395 ÷ 365 = 1,08 medewerkers (C)
We berekenen de contractuele uren over het hele peiljaar:
Totaal 1984 ÷ 52 weken ÷ urennorm (40 uur) = 0,95 fte (I)
Of o.b.v. kalenderdagen:
Totaal 1981,14 ÷ 52 weken ÷ urennorm (40 uur) = 0,95 fte (I)
Deze methode mag alleen worden gebruikt voor C. Voor I gebruik je methode 1.
Bij deze methode bepaal je eerst het aantal peilmomenten (PM):
De auditor beoordeelt of het aantal peilmomenten voldoende is.
Op elk peilmoment tel je het aantal personen dat op dat moment werkzaam is.
(mdws PM1 + mdws PM2 + mdws PM3 + mdws PM4) ÷ aantal peilmomenten