In de handleiding Prestatieladder Socialer Ondernemen van TNO (verder genoemd als de handleiding), staan de diverse onderdelen (c.q. groepen) van de bedrijfsomvang uitgelegd, zie paragraaf 3.1.2 “vaststellen bedrijfsomvang”. Deze groepen zijn:
U berekent de bedrijfsomvang om vast te stellen welk deel van de werkzame personen binnen uw organisatie behoort tot de PSO-doelgroepen, ten opzichte van de totale bedrijfsomvang.
De auditor controleert deze berekening altijd op basis van gegevens die rechtstreeks afkomstig zijn uit de personeels- of loonadministratie. Voor ingeleende krachten via derde partijen gebeurt deze controle aan de hand van stukken uit de financiële administratie. Zie hiervoor paragraaf 3.5.3 “toetsing bedrijfsomvang”.
In deze leidraad worden verschillende rekenmethodes toegelicht. Het kan zijn dat niet alle hiervoor benoemde groepen van toepassing zijn binnen uw organisatie. Het is aan de aanvrager om te bepalen welke methode wordt gebruikt. De berekening moet altijd controleerbaar en reproduceerbaar zijn voor toetsing door de auditor.
De meest recente versie van de handleiding is altijd leidend. Een auditor zal moeten vaststellen of de opgegeven bedrijfsomvang voldoet aan de eisen in de handleiding, zijn/haar oordeel daarop is doorslaggevend.
In de rekentool worden voor deze groep twee elementen ingevuld:
Berekening A
Voor A wordt uitgegaan van het aantal SV-dagen, waarbij 1 medewerker gelijkstaat aan 260 dagen. SV-dagen, ofwel sociale verzekeringsdagen, worden ook wel loondagen genoemd. Dit zijn de dagen waarop het loon wordt doorbetaald. Zie voor een volledige definitie de begrippenlijst van de handleiding.
Berekening G
Voor G wordt uitgegaan van alle verloonde uren, waarbij 1 fte gelijkstaat aan 52 weken × de urennorm per week.
Bij deze methode bepaalt u eerst het aantal peilmomenten (PM);
De auditor beoordeelt of het aantal peilmomenten voldoende is.
Op elk peilmoment telt u het aantal medewerkers (mdws) of fte dat op dat moment werkzaam is. Medewerkers die vóór het peilmoment uit dienst zijn gegaan, tellen niet mee.
Berekening A
Berekening G
U zet alle medewerkers op een rij (bijvoorbeeld in Excel) en noteert per medewerker:
Voorbeeld (peiljaar 1-1 t/m 31-12)
T.b.v. het berekenen van A
We tellen het aantal weken op wat tussen de in en uit dienst data ligt (in het peiljaar) voor elke medewerker = 52 + 44 + 26 = 122.
Dezelfde berekening kan ook worden uitgevoerd op basis van kalenderdagen;
We tellen het aantal kalenderdagen op wat tussen de in dienst en uit dienst data ligt (in het peiljaar) = 365 dagen + 306 + 180 = 851.
T.b.v. het berekenen van G
We berekenen de contractuele uren over het hele peiljaar:
Totaal contractuele uren = 4464
Of o.b.v. kalenderdagen
Totaal 4445,71
Als u software gebruikt die het gemiddeld aantal medewerkers en fte berekent, mag u deze gebruiken, mits de berekening controleerbaar en reproduceerbaar is.
Alle overige werkenden inclusief PSO-doelgroep op basis van een uitzend-, detacheringsovereenkomst of payroll constructie. In de rekentool worden ingevuld:
U moet alle gefactureerde uren over het peiljaar kunnen onderbouwen met facturen. De auditor controleert steekproefsgewijs of alle inleenpartijen zijn meegenomen, bijvoorbeeld via een crediteurenlijst of de winst- en verliesrekening in combinatie met grootboekrekeningen.
U zet alle medewerkers op een rij (bijvoorbeeld in Excel) en noteert:
Voorbeeld (peiljaar 1-1 t/m 31-12)
T.b.v. het berekenen van B
We tellen het aantal weken op wat tussen de in en uit dienst data ligt (in het peiljaar) = 52 + 44 + 26 = 122.
Of o.b.v. kalenderdagen
We tellen het aantal kalenderdag op wat tussen de in dienst en uit dienst data ligt (in het peiljaar) = 365 dagen + 306 + 180 = 851
Berekening H
Totaal gefactureerde uren: 4.168
Deze methode mag alleen worden toegepast na goedkeuring door de auditor. Wanneer de eerste methode een dermate grote tijdsbesteding met zich meeneemt dat versimpeling essentieel is, neemt u het beste vooraf contact op met de auditor.
Benodigde documenten
Berekening H
Alleen die personen op stages, werkervaringsplekken of proefplaatsingen die vallen onder de PSO-doelgroep. Personen die niet tot de PSO-doelgroep behoren en werkzaam zijn op basis van stage, vrijwilligerswerk of proefplaatsing, worden niet meegenomen in de bedrijfsomvang. In de rekentool worden ingevuld:
Wanneer geen vast aantal uren is afgesproken, wordt uitgegaan van de daadwerkelijk gewerkte uren. Bij stagecontracten (BBL/BOL, VSO/PRO) wordt uitgegaan van de uren in de stageovereenkomst. In geval van een BBL overeenkomst mogen betaalde opleidingsuren ook meetellen.
U noteert per persoon:
Voorbeeld (peiljaar 1-1 t/m 31-12)
T.b.v. het berekenen van C
We tellen het aantal weken op wat tussen de in en uit dienst data ligt (binnen het peiljaar) = 27 + 4 + 26 = 57
Of o.b.v. kalenderdagen
We tellen het aantal kalenderdagen op wat tussen de in dienst en uit dienst data ligt (binnen het peiljaar) = 184 + 31 + 180 = 395
T.b.v. het berekenen van I
We berekenen de contractuele uren over het hele peiljaar:
Of o.b.v. kalenderdagen
Deze methode mag alleen worden gebruikt voor C. Voor I gebruikt u methode 1.
Bij deze methode bepaalt u eerst het aantal peilmomenten (PM);
De auditor beoordeelt of het aantal peilmomenten voldoende is.
Op elk peilmoment telt u het aantal personen dat op dat moment werkzaam is.
Berekening C